Quirien Praktijk voor zingeving en spiritualiteit

Paranormale Diagnostiek

Paranormale Diagnostiek (citaat uit: Geneeswijzen in Nederland, Paul van Dijk)

 

Wat betreft de paranormale diagnostiek kan een aantal aspecten worden onderscheiden:

  • Helderziendheid: Veel therapeuten zien allerlei beelden met betrekking tot de patiënt. Sommigen zien naast het lichaam van de patiënt een tweede lichaam. Door dit lichaam kan de paragnost heenkijken en de plaats van de aandoening lokaliseren. Dit vermogen wordt interne heteroscopie genoemd. Men spreekt van interne autoscopie als de therapeut op deze wijze zichzelf diagnosticeert. Ook zonder dat de patiënt aanwezig is, kunnen therapeuten bijzonderheden uit diens levensgeschiedenis vermelden en daarin factoren aangeven die de ziekte mede hebben veroorzaakt. Soms gebeurt dit met behulp van een inductor. Dit is een voorwerp (bijvoorbeeld een foto), dat aan de persoon toebehoort en dat de paragnost behulpzaam kan zijn bij het stellen van zijn diagnose.
  • Heldervoelendheid: Een vaak voorkomende eigenschap van een paranormaal therapeut is, dat hij zich kan vereenzelvigen met de patiënt. Hij kan voelen wat de patiënt mankeert en de paragnost zou zich vaak helderder en vollediger van de lichamelijke toestand bewust zijn dan de zieke zelf. Opvallend hierbij is, dat de therapeut de aandoening vaak aan de andere kant voelt dan de patiënt.
  • Helderhorendheid: Soms hoort een therapeut namen of flarden van een gesprek in verband met een patiënt, zonder daarbij aanwezig te zijn of te zijn geweest. Ook kan het voorkomen dat een paragnost een diagnose hoort noemen of op helderhorende wijze een therapievorm krijgt aangewezen. Soms ook hoort de therapeut de naam van het aangedane lichaamsdeel of van een geneesmiddel, zonder dat hij dit tevoren kende.
  • Helderwetendheid: Een ander verschijnsel noemt men helderwetendheid. Hiermee wordt bedoeld, dat een paranormaal begaafde ineens iets zeker weet, plotseling en op onverklaarde wijze. Het kan de aard van een ziekte betreffen, maar ook een ingewikkelde samenhang tussen verschillende gebeurtenissen. Een begrip dat hiermee samenhangt is de intuïtieve impuls. Dit is een bij veel mensen voorkomende eigenschap, die bij paranormaal therapeuten sterker is ontwikkeld. Zo gaat een paragnost als vanzelf met zijn handen naar de plaats van de aandoening, zonder van de klachten op de hoogte te zijn. Hij wordt er als het ware naartoe getrokken.
  • Helderruikendheid: Bepaalde reuksensaties kunnen op grond van vroegere ervaringen aanwijzingen geven omtrent de diagnose. Ook kunnen geuren een symbolische betekenis hebben in de zin, dat een bepaalde geur verband houdt met een bepaalde ziekte.
  • Trance: Een diagnostische methode die weinig voorkomt bij deze geneeswijze is de trance. Dit is een verlaging van het bewustzijnsniveau van de therapeut, waarin hij totaal onbewust is van zichzelf en van de buitenwereld. In de trance kan de therapeut over sterk paranormale eigenschappen beschikken. De trance is met name bekend in spiritistische kringen, bij winti en sjamanisme. Deze vorm van behandeling wordt frequent toegepast in Engeland. Bij de spiritistische genezing (spiritual healing) wordt gebruik gemaakt van een medium. Het medium wordt begeleid door een geest. De geest is een overleden persoon, vaak een beroemde medicus uit de geschiedenis. De rol van het medium is vergelijkbaar met die van een piloot die de instructies van de verkeerstoren uitvoert. De spiritistisch therapeut kan daarbij zowel over diagnostische als therapeutische informatie beschikken. Spiritistische genezing wordt gepraktiseerd in de spiritistische kerk of in huiskamerseances. In de diensten worden psalmen gezongen, wordt gebeden en in plaats van de preek volgt er een seance met een medium. Tijdens de behandeling legt het medium de hand op of net boven een deel van het lichaam. Anderen maken licht strijkende bewegingen. De mate waarin de religieuze beleving een rol speelt, kan sterk uiteenlopen. Voor de ene medium is dit allesbepalend, anderen distantiëren zich meer van de godsdienstige aspecten.
  • Somnambulisme: Dit is een paranormale vorm van diagnostiek, die uitgebreid is beschreven door Mesmer en diens tijdgenoot markies de Puységur. De magnetiseur maakt gebruik van bepaalde personen, magnetische slaapwandelaars of somnambules. Deze personen kunnen door de magnetiseur in een 'slaapwandeltoestand' worden gebracht door een magnetische behandeling. Tijdens deze toestand vraagt de magnetiseur aan de somnambule de ziekte van bepaalde patiënten te beschrijven of te diagnosticeren en de middelen aan te geven, welke als therapie kunnen dienen. Ook de patiënten zelf kunnen op zodanige wijze worden gemagnetiseerd, dat ze als somnambule optreden en informatie over hun eigen klachten en therapeutische mogelijkheden voor zichzelf aangeven. In onze tijd komt deze vorm in de paranormale geneeskunde vrijwel niet meer voor. Vergelijkbare vormen treft men nog wel aan bij winti.
  • Auradiagnostiek: Deze vorm van paranormale diagnostiek kan worden beschouwd als een van de mogelijkheden van helderziende diagnostiek. Vrij veel paranormaal therapeuten zien rondom het menselijk lichaam een aura, een grijze band met daarbuiten een omhulsel waarin verschillende kleuren zichtbaar zijn. De aura bestaat volgens sommigen uit zeven lagen, die elk hun eigen functie hebben. De eerste laag, de grijze band, is het meest stoffelijke deel en het best zichtbaar te maken op foto's. Het kleurenbeeld van de aura verandert voortdurend van vorm en intensiteit. Psychische problemen, ziekte en stoornissen in het lichaam bepalen deze wijzigingen. De zeven (hoofd)chakra's zijn zichtbaar als knooppunten in de aura van de mens en staan in relatie met de zeven lagen van de aura. Paranormaal therapeuten zijn dus in staat op grond van de toestand van de aura gevolgtrekkingen te maken over de lichamelijke en geestelijke toestand van de patiënt.
  • Pendeldiagnostiek (radiësthesie): Beoefenaars van deze vorm van diagnostiek worden radiësthesisten genoemd. Radiësthesie berust volgens de meeste beoefenaars op gevoeligheid voor stralingen. Men gaat ervan uit dat elk object een bepaalde golflengte (vibratie) heeft en uitstraalt. De radiësthesist is in staat deze trilling op te vangen. Hij kan zich instellen op een bepaalde golflengte. Zodra het onderbewuste de golflengte opvangt, reageert het lichaam, waardoor de pendelbeweging wordt gestuurd. Een andere groep beoefenaars ziet de pendel als een mechanische versterker van zwakke onbewuste spierbewegingen die in het lichaam van de pendelaar door verschillende oorzaken genegeerd kunnen worden. De pendel is een gewichtje dat aan een draad of kettinkje hangt. Er zijn tientallen soorten pendels in omloop, waarvan zowel het materiaal van het gewichtje (metaal, glas, kunststof, edelsteen e.a.) als dat van de draad kan variëren. Bij het diagnosticeren wordt de pendel boven het lichaam van de zieke gehouden en op plaatsen waar de pendel uitslaat, is een stoornis gelokaliseerd. Ook kan de pendel boven een topografische kaart van het menselijk lichaam worden gehouden. Sommige radiësthesisten werken met een anatomische atlas. Met de ene hand wijzen zij een bepaald orgaan aan, terwijl de pendel in de andere hand wordt gehouden. Voorafgaand aan het pendelen wordt de pendel afgestemd (gesensibiliseerd) op de patiënt doordat deze de pendel vasthoudt. Het afstemmen kan ook plaatsvinden met behulp van een druppel bloed, een nagel, een haarlok, een handtekening of een foto van de patiënt. Men noemt dit een getuige van de patiënt. Onder het uitslaan van de pendel verstaat men de bewegingen van de pendel die door onwillekeurige bewegingen van de arm en hand van de radiësthesist worden veroorzaakt. Men noemt dit in de parapsychologie het ideomotorisch principe. De onwillekeurige slingeringen, draaiingen of het stilhangen van de pendel geven de radiësthesist diagnostische informatie. De verschillende bewegingen van de pendel worden verschillend geïnterpreteerd. De meest algemeen aanvaarde interpretatie houdt in, dat het draaien met de wijzers van de klok mee Ja en tegen de wijzers van de klok in Nee betekend. Schommelingen of stil hangen is een neutrale uitslag. Op deze wijze wordt ook de diagnostiek bedreven. Men stelt een ja/nee vraag over bepaalde ziekten of organen en men wacht op het antwoord van de pendel. Steeds kan men dan de vragen gedetailleerder gaan stellen. Een nog specifieker wijze van diagnostiek met de pendel wordt uitgevoerd met behulp van standaardmonsters. Dit zijn kleine partjes van organen, monsters van bacteriën of ziektesubstraten. Eén van de monsters wordt aan het uiteinde van een houten lat van een meter lengte gelegd, terwijl aan het andere uiteinde een 'getuige' van de patiënt komt te liggen. Vervolgens beweegt de radiësthesist de pendel in de lengterichting van de lat totdat de pendel spontaan van richting verandert en boven een bepaald punt van de centimeterschaal op de lat uitslaat. Hiermee krijgt hij een getal in centimeters waaruit hij conclusies kan trekken of het standaardmonster aan het eind van de lat gerelateerd is met de ziekte van de patiënt. In plaats van een lat worden ook driehoeken en allerlei andere diagrammen gebruikt. Radiësthesie wordt behalve voor diagnostische doeleinden ook aangewend om te komen tot de juiste geneesmiddelenkeuze. Dit gebeurt doordat de radiësthesist, na een sensibilisatie van de pendel, met de ene hand een geneesmiddel aanwijst of aanraakt en met de pendel in de andere hand om antwoord vraagt. Ook de dosering wordt op deze wijze gependeld. Het pendelen wordt in het algemeen in mindere mate dan bijvoorbeeld helderziendheid of helederwetendheid beschouwd als een paranormale gave. Radiësthesie werd in Europa voor het eerst populair rond 1900, hoofdzakelijk door de activiteiten van Franse priesters, met name Mermet en Bouley. Nog steeds vindt de radiësthesie in Frankrijk op grote schaal plaats. Ook in België wordt veel gependeld. In Nederland is er nooit een grote belangstelling geweest, hoewel deze de laatste tijd schijnt toe te nemen. Radiësthesisten vormen in ons land een min of meer aparte groep binnen de paranormale geneeskunde.
  • Rathega-systeem: Rathega is een fantasienaam voor een medisch radiësthetisch testsysteem dat vergelijkbaar is met de vegatest en de kinesiologische diagnostiek. Het is ontwikkeld in de jaren negentig door de Duitse radiësthesist Oberbach. Er wordt gebruik gemaakt van de eenhandsroede, de biotensor. Rathega is ingebed in de concepten van de biofysische geneeskunde. Met de methode kunnen lokalisaties van aandoeningen en pijn worden bepaald. Er kan op selectieve wijze diagnostiek en therapie mee worden bedreven door met de biotensor de hiërarchie van bijvoorbeeld indicatoren, medicijnen en accupunctuurpunten te bepalen.
  • Wichelroedediagnostiek (virgula divina): Veel therapeuten kunnen met de paranormale gevoeligheid van hun handen ziektehaarden opsporen in het lichaam. Zij voelen met hun handen waar de ziektehaard zit en wat de toestand daarvan is. De handen worden als het ware naar de ziekteplek getrokken. Sommige therapeuten ervaren in dit verband de aura als een vloeibare substantie, waarin op bepaalde plaatsen veranderingen voorkomen die wijzen op stoornissen in het lichaam. Sommige therapeuten gebruiken hierbij een wichelroede als hulpmiddel. De paranormale gevoeligheid zou dan meer geconcentreerd zijn en duidelijker aanwijzingen geven. Een wichelroede is een gebogen metaaldraad of een gevorkte tak. Op de plaatsen waar het lichaam stoornissen vertoont, slaat de wichelroede in de handen van de therapeut uit, vaak op de frequentie van de hartslag. Het uiteinde van de wichelroede draait als vanzelf in de richting van de ziektehaard. Ook hier is, evenals bij de pendel, sprake van onwillekeurige spierbewegingen, die de therapeut niet beheerst. De wichelroede moet dus gezien worden als een verlengstuk van de handen van de therapeut. Wat betreft de verklaring van deze onwillekeurige spierbewegingen vindt men evenals bij de radiësthesie twee stromingen. De ene stroming ziet de wichelroede als een soort antenne, waarmee de wichelroedeloper zich afstemt op de 'straling'. De andere stroming beschouwt de wichelroede als een mechanische versterker van zwakke onbewuste spierbewegingen die bij de wichelroedeloper door verschillende oorzaken kunnen worden gegenereerd. Bij de eerste groep is vorm en materiaal samenstelling van de wichelroede van belang. Bij de tweede groep niet, de wichelroede is daar niet meer dan een hefboom, die zwakke spierbewegingen zichtbaar maakt. Wichelroedes worden tevens gebruikt voor het opsporen van aardstralen. Vooral in de Duitse literatuur spreekt men tegenwoordig niet meer over aardstralen maar over geopathie of geopathogene belasting. Hieronder verstaat men de ziektemakende werking van door wichelroedelopers aangegeven locaties op mensen, die zich langdurig in de directe nabijheid hiervan bevinden. Wetenschappelijk gezien is het bestaan van aardstralen vaak aangevochten; ze zouden verband houden met bepaalde elektromagnetische velden, die voor het ontstaan van bepaalde ziekten verantwoordelijk zouden zijn. In het bijzonder reuma, kanker, slapeloosheid, nervositeiten en rugklachten worden in dit verband genoemd. Aardstralen zouden een orgaanverzwakkende werking hebben, waardoor het zwakste lichaamsdeel stoornissen gaat vertonen. Het doel van wichelroedediagnostiek in dit verband is het opsporen van de aardstralen, opdat men het bed, de werkruimte of andere plaatsen waar men langdurig verblijft, zodanig kan verplaatsen, dat de inwerking van de elektromagnetische velden op het lichaam wordt verminderd. In het bijzonder in België en Duitsland heeft zich de bouwbiologie ontwikkeld. Men houdt zich daarbij bezig met het construeren van een zo gezond mogelijke leef- en woonomgeving voor de mens. Zij houdt onder andere rekening met geopathogene zones, evenals met door de mens veroorzaakte storingsbronnen. De bouwbiologie is nauw verwant met de geobiologie. Het wichelroedelopen wordt in 1240 voor het eerst in de Europese literatuur vermeld. Lang voor die tijd werkten de Egyptenaren al met een wichelroede. In onze tijd bestaat er ook elekronische meetapparatuur om aardstralen op te sporen. 

Zoals uit het bovenstaande blijkt, zijn er verschillende methoden om op paranormale wijze tot een diagnose te komen. Bij al deze methoden gebeurt er iets overeenkomstigs: het zogenaamde 'zich instellen', door de parapsycholoog Tenhaeff 'inneren' genaamd. Als de paragnost zich instelt, verlegt hij zijn aandacht van de buitenwereld naar zijn innerlijk en stelt zich open voor de gewenste informatie. Daarbij zou een verlaging van het bewustzijnsniveau optreden. Het niveau van de bewustzijnsdaling kan variëren van innerlijke concentratie tot een diepere trancetoestand. Het bovenstaande is slechts een poging om de diagnostische activiteiten van de paranormale therapeut te beschrijven. Voorts moet erop worden gewezen, dat er grote verschillen zijn tussen paranormaal therapeuten wat betreft de soort diagnostiek die men bedrijft, maar ook wat betreft de eigen mogelijkheden om op paranormale wijze een diagnose te stellen. Er zijn dan ook therapeuten die patiënten behandelen op grond van de gegevens van een arts of op grond van mededelingen van de patiënt.