| Historisch overzicht Paranormale Geneeswijze | | Print | |
|
PARANORMALE GENEZING ALS EEN ASPECT VAN MENSELIJK POTENTIEEL: EEN HISTORISCH OVERZICHT DOOR DE EEUWEN HEEN. (citaat uit: Handboek energetische geneeskunde, Richard Gerber)
Het gebruik om door handopleggingen menselijke ziekten te genezen dateert van duizenden jaren geleden. Bewijs voor het bestaan ervan in het oude Egypte wordt in de zogeheten papyrus-Ebers uit ca. 1552 v. Chr. gevonden. In dit document wordt handoplegging voor medische doeleinden beschreven. Vier eeuwen voor de geboorte van Christus pasten de Grieken in hun tempels van Asklepios therapeutische aanrakingen toe om zieken te genezen. In de geschriften van Aristophanes wordt uiteengezet hoe in Athene handoplegging wordt toegepast om het gezichtsvermogen van een blinde man te herstellen en een onvruchtbare vrouw weer vruchtbaar te maken. De bijbel bevat vele verwijzingen naar handoplegging voor zowel medische als spirituele doeleinden. Het is bekend dat veel van de wonderbaarlijke genezingen door Jezus met behulp van handoplegging geschiedden. Jezus zei dat iedereen hiertoe in staat was. Handoplegging om te genezen maakte net zo goed deel uit van het werk van de vroeg-christelijke geestelijkheid als prediken en het toedienen van de sacramenten. In de vroeg-christelijke kerk werd handoplegging gecombineerd met het toedienen van heilig water en heilige olie. Tijdens de eeuwen hierna begonnen de genezende taken van de Kerk geleidelijk af te nemen. In Eurpoa werden deze door koningen overgenomen. Naar verluidt slaagden koningen van verschillende Europese landen erin ziekten als tuberculose door handoplegging te genezen. Omstreeks 1050 paste de Engelse koning Eduard de Belijder deze methode voor het eerst toe, en de sceptische Willem IV, ruim zeven eeuwen later, voor het laatst. Veel van de eerste pogingen tot genezing door handoplegging schenen gebaseerd te zijn op een geloof in de vermogens van ofwel Jezus, ofwel de koning, ofwel een bepaalde genezer. Er waren in die tijd ook theoretici die meenden dat speciale levenskrachten en -machten in de natuur de middelaars van de genezing waren. Enkelen van de eerste onderzoekers naar de mechanismen achter genezing vormden theorieen over de erbij betrokken energieën, die volgens hen van magnetische aard waren. Een van de eerste verdedigers van een magnetische levenskracht van de natuur was de controversiele arts Theophrastus Bombastus von Hohenheim, ook wel bekend als paracelsus (1493-1541). Paracelsus ontdekte niet alleen nieuwe geneesmiddelen, maar legde ook de grondvesten van de sympathische geneeskunde. Volgens dit stelsel zouden de sterren en andere lichamen (vooral magneten) mensen beinvloeden door middel van een subtiele emanatie of fluïdum waarvan de hele ruimte was doortrokken . Zijn theorie was een poging om de klaarblijkelijke verbinding tussen mensen en de sterren en andere hemellichamen te verklaren. Het sympatische stelsel van Paracelsus kunnen we beschouwen als een vroeg astrologische inzicht in de invloeden van planeten en sterren op menselijke ziekte en gedrag. Deze verbinding tussen mensen en het hemelgewelf bestond uit een subtiel, alomtegenwoordig fluïdum, wellicht een eerste concept van "ether", dat in het hele universum voorkwam. Hij kende magnetische eigenschappen aan deze subtiele substantie toe, en was van mening dat ze unieke genezende eigenschappen bezat. Hij kwam ook tot de conclusie dat als iemand deze kracht bezat of gebruikte, hij dan ziekten in andere mensen kon stuiten of genezen. Paracelsus beweerde dat de levenskracht niet in iemand opgesloten zat, maar in en om hem heen straalde als een lichtgevende cirkel die ook vanaf een afstand kon werken. De nauwkeurigheid van zijn beschrijving van de energieën die mensen omringen in aanmerking genomen, vraagt men zich af of Paracelsus de menselijke aura helderziend kon waarnemen. In de eeuw na de dood van Paracelsus werd de magnetische traditie voortgezet door de arts-mysticus Robert Fludd, die als een van de meest prominente alchemistische theoretici van de vroege zeventiende eeuw wordt beschouwd. Hij benadrukte de rol die de zon als bron van licht en leven bij gezondheid speelt. De zon werd als verspreider van levensstralen beschouwd, die alle levende wezens op aarde nodig hadden. Fludd geloofde ook dat de mens de eigenschappen van een magneet had. In 1778 trad er een radicale genezer naar voren, die zei dat hij opmerkelijke therapeutische successen kon boeken zonder dat de patient in de genezende kracht van Jezus of hemzelf hoefde te geloven. Franz Anton Mesmer beweerde dat de genezende resultaten die hij boekte via rationeel gebruik van een universele energie, die hij fluïdum noemde, tot stand kwam. Mesmer beweerde dat zijn fluïdum een subtiele fysische vloeistof was waarmee het universum was gevuld, en dat dit het verbindende medium tussen mensen en andere levende wezens was, en tussen levende organismen, de aarde en de hemellichamen. Mesmer opperde dat alle wezens in de natuur een bepaalde kracht bezitten die zich via speciale inwerking op andere lichamen manifesteert.Hij was van mening dat alle fysieke lichamen, dieren, planten en zelfs stenen van dit magische fluïdum doortrokken waren. Mesmer ontdekte tijdens zijn in Wenen verricht medisch onderzoek dat het plaatsen van een magneet op door ziekte getroffen lichaamsgebieden vaak genezing ten gevolge had. Experimenten met patiënten met zenuwstoringen veroorzaakten vaak ongebruikelijke motorische effecten. Mesmer merkte dat succesvolle magnetische behandelingen herhaaldelijk uitgesproken spierkrampen en -schokken teweegbrachten. Hij raakte ervan overtuigd dat de magneten die hij voor zijn therapieen gebruikte hoofdzakelijk geleiders waren van een etherisch fluïdum dat uit zijn eigen lichaam tevoorschijn kwam en dat een subtiele genezende uitwerking op zijn patienten had. Mesmers onderzoeken brachten hem tot de overtuiging dat dit subtiel-energetische fluïdum op de een of de andere manier met het zenuwstelsel verband hield, vooral toen zijn behandelingen vaak onwillekeurige spierkrampen en -schokken veroorzaakten. Hij veronderstelde dat de zenuw- en lichaamsvloeistoffen het fluïdum naar alle gebieden van het lichaam transporteerden, waar het die delen activeerde en tot leven bracht. Mesmer fluïdumconcept doet denken aan de oude Chinese theorie over ch'i-energie, die door de meridianen stroomt en de levenskracht naar de zenuwen en weefsels van het lichaam vervoert. Mesmer besefte dat de levensbevorderende en -regulerende activiteit van het magnetische fluïdum een wezenlijk deel uitmaakte van de basisprocessen homeostase en gezondheid. Een gezond iemand werd geacht in harmonie met deze meest basale natuurwetten te zijn, die door een juiste wisselwerking tussen de vitale magnetische krachten tot uitdrukking kwamen. Als er disharmonie tussen het fysiek lichaam en deze subtiele natuurkrachten optrad, was ziekte het gevolg. Mesmer zag later in dat de beste bron van deze universele kracht het lichaam zelf was. De meest actieve punten van de energetische stroom bevonden zich volgens hem in de handpalmen. Wanneer een arts zijn handen rechtstreeks op de patiënt legde, kon de energie rechtstreeks van genezer naar patiënt stromen. Mesmer, die zijn geboorteland Oostenrijk had moeten verlaten, had zich in 1778 in Parijs gevestigd, waar hij in revolutionaire kringen spoedig bekendheid genoot. Zijn handopleggingstechniek, ook wel bekend als 'magnetische strijkbewegingen', was erg populair. Helaas zagen vele academische waarnemers toendertijd het mesmerisme slechts als hypnose en suggestie. In 1784 benoemde de Franse koning een commissie die onderzoek moest doen naar de validiteit van Mesmers geneeskundige experimenten. Tot de commissie behoorden leden van de Franse en Engelse Academie van Wetenschappen en de Academie der Geneeskunde, alsmede de Amerikaanse staatsman-wetenschapper Benjamin Franklin. De experimenten die zij uitvoerden, waren ontworpen om de aan- of afwezigheid van het magnetisch fluïdum waarvan Mesmer beweerde dat het de genezende kracht achter zijn therapeutische successen was te testen. Helaas had geen enkele door de commissie ontworpen test betrekking op het meten van de medische effecten van het fluïdum. De conclusie van de prestigieuze commissie was dat het fluïdum niet bestond. Hoewel ze Mesmer therapeutische successen met patiënten niet ontkende, meende ze dat de medische effecten die Mesmer teweegbracht aan nerveuze opwinding, verbeeldingskracht en imitatie ( van andere patiënten ) te danken waren. Interessant genoeg onderzocht een commissie van de medische sectie van de Franse Academie van Wetenschappen het dierlijk magnetisme in 1831 opnieuw, en die aanvaardde toen Mesmers standpunt. Ondanks deze bevestiging kreeg het werk van Mesmer echter nooit algemene erkenning. Toen meer recent laboratoriumonderzoek naar de fysiologische effecten van handoplegging de magnetische aard van deze subtiele genezende energieën had bevestigd, konden onderzoekers aantonen dat Mesmer met zijn inzicht in de magnetische aard van de subtiele energieën van het menselijk lichaam zijn tijdgenoten eeuwen vooruit was. Het rechtstreeks meten van deze energieën met conventionele apparatuur voor elektromagnetische waaneming is vandaag de dag net zo moeilijk als in Mesmers tijd. Mesmer ontdekte ook dat water met deze subtiele magnetische kracht kon worden geladen, en dat de opgeslagen energie uit de door de genezer behandelde flessen water via ijzeren staven naar zieken kon worden geleid, die deze met hun handen moesten vasthouden. Het opslagapparaat dat werd gebruikt om genezende energie vanuit het geladen water naar patiënten over te brengen stond bekend als de bacquet. Hoewel thans velen Mesmer als een groot hypnotiseur beschouwden, zijn er maar weinigen die werkelijk begrijpen hoe baanbrekend zijn onderzoek naar de subtiele magnetische genezende energieën is geweest.
|
||||
