Quirien Praktijk voor zingeving en spiritualiteit

Van Hermes uit het gesprek met Tat | Print |

Uit Hermes Trismegistus blz 88 t/m 93 met commentaar van Quirien

 

1. 'Het is moeilijk zich een voorstelling van God te maken, maar ook al is iemand daartoe in staat dan kan hij hem toch niet omschrijven. Want het is voor het lichamelijke onmogelijk het onlichamelijke aan te duiden, het onvolmaakte is niet in staat het volmaakte te begrijpen en het is moeilijk voor het kortstondige met het eeuwige samen te gaan. Het ene is er immers altijd, het andere gaat voorbij. Het ene bestaat werkelijk, het andere is slechts een vage schets van ons voorstellingsvermogen. Tussen het zwakke en het sterke en het kleine en het grote is evenveel verschil als tussen het sterfelijke en het goddelijke.

2. De afstand daartussen vervaagt het zicht op het schone. Het is immers zo, dat we met onze ogen stoffelijke voorwerpen kunnen zien en met onze tong kunnen beschrijven wat we zien. Maar wat onlichamelijk is, onzichtbaar en zonder vorm, en niet uit materie samengesteld, dat kan niet door onze zintuigen worden opgemerkt.' 'Ik begrijp het: wat niet in woorden kan worden uitgedrukt, dat is God'.

1. 'Het is, Tat, voor de mens een onmogelijk waagstuk over de ware werkelijkheid te spreken. Hij is immers een onvolmaakt wezen, dat is samengesteld uit onvolmaakte leden en waarvan het omhulsel uit allerlei verschillende stoffen bestaat. Maar wat wel gezegd kan worden, en nog juist is ook, dat is dit: de ware werkelijkheid bevindt zich in de eeuwige lichamen.

2. En die zijn zelf ook in eigenlijke zin werkelijk: vuur is alleen het vuur zelf en niets anders, aarde is alleen aarde zelf en niets anders, lucht is de lucht zelf en niets anders, water is het water zelf en niets anders. Onze lichamen daarentegen zijn uit al deze elementen samengesteld: ze bevatten immers vuur, maar ook aarde, ze bevatten eveneens water en lucht. Toch zijn ze noch vuur, noch aarde, noch water, noch lucht, noch iets anders dat zuivere werkelijkheid is. Als nu de samenstelling van ons lichaam vanaf het begin geen ware werkelijkheid bezit, hoe zouden we die dan kunnen zien of verwoorden? We kunnen ons er alleen een voorstelling van maken als God het wil.

In de tekst komt naar voren dat alleen hetgene dat niet aan verandering onderhevig is behoort tot ware werkelijkheid en dat wat uit stoffen bestaat en aan verandering onderhevig is behoort tot de wereld van illusies. Het waarneembare in de wereld hoort tot de wereld van de illusies. Derhalve ook de verschijnselen in deze wereld. De illusoire krachten hangen echter ook van de werkelijkheid af. Het is echter moeilijk om een onderscheid te maken tussen hetgeen louter illusoir is en de verschijnselen waarin het licht van de ware werkelijkheid valt. Hetgeen wij waarnemen en voor werkelijkheid houden is een illusie. Vaak is het zo dat wij geneigd zijn om een verschijnsel dat zich keer op keer herhaald als werkelijker te beschouwen dan een gebeurtenis die eenmalig en niet herhaalbaar schijnt. Omdat ook de herhaalbare, alledaagse verschijnselen tot de wereld de illusies behoren is het nog maar de vraag of deze verschijnselen meer van doen hebben met de ware werkelijkheid dan hetgeen wij als wonder beschouwen; de gebeurtenissen die niet worden verwacht, in strijd lijken te zijn met natuurwetten, maar wel als werkelijkheid worden beleefd. Het is niet na te gaan of een wonder een uitzondering is in het licht van de ware werkelijkheid, zoals een wonder een uitzondering is in de wereld van de illusies. Vandaar dat het niet uit te maken is wat de ware werkelijkheid het dichtst benaderd, het wonder of de verwachte, herhaalbare, alledaagse gebeurtenis. Naarmate een fenomeen steeds weer herhaald wordt, is er steeds weer sprake van een bevestiging, maar deze bevestiging zou een bevestiging van iets illusoirs kunnen zijn, terwijl het wonder iets zou kunnen zijn dat zich juist ontrekt van de wereld van de illusies en daardoor buiten de wetten die voorkomen in de wereld van de illusies valt. Volgens de tekst behoort alles wat van voorbijgaande aard is niet tot de ware werkelijkheid. Nu behoren de zaken die in de fysica bestudeert worden allen tot voorbijgaande zaken. Tijd-ruimte en deeltjes zijn immers allemaal van voorbijgaande aard. De natuurwetten beschrijven in die zin zaken die niet tot de ware werkelijkheid behoren. Het is daarom denkbaar dat hetgene dat voldoet aan natuurwetten minder met de ware werkelijkheid te maken heeft dan het wonder dat zich niets van natuurwetten lijkt aan te trekken; het is alleen niet uit te maken of het werkelijk zo is daar de ware werkelijkheid immers onkenbaar is en het dus niet verifieerbaar is wat dichter de ware werkelijkheid benadert. Zou het zo kunnen zijn dat in de wereld van de illusies de wetmatigheden de grootste illusies zijn? Ik weet het niet.

3. Alles wat zich op aarde bevindt, Tat, is dus niet de werkelijkheid, maar een nabootsing ervan; en dat geld niet eens voor alle dingen, maar slechts voor een klein deel daarvan.

4. De rest, Tat, is begoocheling, dwaling en waan, ontstaan als beelden van ons voorstellingsvermogen. Maar wanneer de voorstelling die wij van iets hebben van boven af overstroomd wordt, dan ontstaat een afbeelding van de ware werkelijkheid. Zonder die impuls van boven blijft er slechts een drogbeeld over. Het is als met een afbeelding: die laat wel het geschilderde lichaam zien, maar is niet het lichaam zelf zoals het wordt waargenomen. Je ziet dat het ogen heeft , maar het ziet niets, en oren, maar het hoort helemaal niets. En zo heeft het schilderij ook wel andere lichaamsdelen, maar ze zijn bedrieglijk, daar ze de blik van de beschouwers misleiden: deze denken de werkelijkheid te zien, terwijl het in feite slechts illusies zijn.

Dit doet mij denken aan het werk van de Belgische surrealist René Magritte. Deze schilder heeft zijn hele werkzame leven zich bezig gehouden met illusies en aannames van de werkelijkheid. Zo laat zijn beroemde schilderij 'Ceci n'est pas une pipe' geen pijp zien, maar een afbeelding van een pijp. Een schilderij dat een schilderijtje van een stuk kaas toont heet echter 'Ceci est un morceau de fromage'.

De afbeelding is niet het afgebeelde en het afgebeelde is als afbeelding werkelijk. De waarnemer kan in zekere zin slechts een afbeelding zien van de werkelijkheid zelf. De manier waarop iemand de afbeeldingen van de werkelijkheid aanschouwt wordt sterk gekleurd door ervaringen. Zo zou een Hollander die alleen laagvlaktes en vele soorten bewolking kent hoge grijze bergen voor wolken kunnen houden. Iemand die voor de eerste keer de zon onder ziet gaan achter de horizon van de zee zal dit anders waarnemen dan iemand die duizende ondergaande zonnen op het strand heeft gezien, in het 'echt' en tot vervelends toe op foto's, ansichtkaarten en middelmatige schilderijen.Het beeld dat 'hetzelfde' is, is niet hetzelfde omdat het verschillend wordt waargenomen. Geen beeld, geen woord, geen smaak, geen toon wordt door twee mensen, of op twee verschillende tijdstippen door é'én mens, op exact dezelfde wijze waargenomen. Elk beeld, elk woord, elke smaak en elke toon heeft voor ieder mens verschillende connotaties. Dit maakt communicatie moeilijk en zuivere communicatie onmogelijk. Alle beelden en woorden verwijzen niet naar de werkelijkheid zelf, maar vormen een afgeleide van de werkelijkheid. Ook mensen die wonen in een gebied waar iedereen ermee instemt een floraentiteit van aanzienlijke hoogte met een stam, wortels, bladeren en takken een boom te noemen zullen niet in staat blijken om het werkelijk over hetzelfde te hebben wanneer men spreekt van een boom. Dat beelden en woorden niet naar de werkelijkheid verwijzen blijkt ook door veranderende betekenissen van woorden en beelden. Doordat de betekenissen veranderen is er sprake van de wereld van illusies, want de werkelijkheid is volgens de tekst immers onveranderlijk. De reden dat mensen bepaalde woorden of bepaalde beeldtaal gebruiken heeft vaak niet te maken met de oerbetekenis van de woorden an sich, maar met conformisme en nabootsing. Als mensen spreken, dan spreken zij niet over de werkelijkheid. Vaak gebruikt men woorden waarvan men de betekenis niet kent of kent men een verkeerde betekenis aan een woord toe. Ervaringen van mensen verschillen en de taal schiet tekort om ervaringen uit te kunnen drukken. Zo is het onmogelijk om de smaak van een aardbei doeltreffend te beschrijven en komt men in het beschrijven van de smaak van wijn niet verder dan vaagheden als 'rond' of algemeenheden als 'fruitig' en 'droog'. De werkelijkheid, schijnwerkelijkheid of niet, doet zich zo aan ons voor dat wij er niet goed over kunnen communiceren. Alles wat wij ervaren is slecht uit te drukken.   

5. Iedereen die iets ziet dat niet illusoir is, ziet derhalve de werkelijkheid. Als wij dus elk ding afzonderlijk begrijpen of zien zoals het is, dan begrijpen en zien we wat waar en werkelijk is. Maar als het dat niet is, dan begrijpen noch kennen we wat waar is.

6. 'Is er dan toch echte werkelijkheid op aarde, Vader?' 'Je vergist je, mijn jongen. Nergens op aarde, Tat, is er ware werkelijkheid en die kan er ook niet zijn, maar wel kunnen sommige mensen zich er een voorstelling van maken, namelijk degenen aan wie God het vermogen geeft hem te aanschouwen'.

7. 'Er is dus niets wat werkelijk waar is op aarde?' 'Ik denk en zeg: "Alle dingen zijn illusies en schijnvoorstellingen." En wat ik denk en zeg is waar!' 'Moeten we dan niet zeggen dat het ware denken en zeggen de waarheid is?'

8. 'Hoe zo? Men moet denken en zeggen wat waar is; er is echter op aarde niets waar.' 'Is dit dan waar dat er niets waar is?' 'Hoe zou het anders kunnen, mijn jongen?

9. Want waarheid en echte werkelijkheid is het toppunt van volmaaktheid, het goede zelf, zonder bijmengsel, het goede dat niet door de materie vertroebeld, noch door een lichaam omgeven wordt, dat onverhuld, stralend, onbewogen, verheven en onveranderlijk is. Maar hoe de dingen hier beneden zijn, dat zie je zelf, mijn jongen: niet in staat dit goede in zich op te nemen, vergankelijk, onderhevig aan invloeden van buiten af, ontbindbaar, wendbaar, altijd in verandering, waarbij het een uit de ander onstaat.

10. Wat zelfs niet ten opzichte van zichzelf waar is, hoe zou dat echt kunnen zijn? Want alles wat verandert is niet werkelijk, daar het niet blijft wat het is, maar al veranderend steeds wisselende voorstellingen in ons oproept.'

11. 'Heeft ook de mens geen echte werkelijkheid, vader?' 'Voor zover hij mens is, heeft hij die niet, mijn jongen. Want het ware heeft alleen uit zichzelf bestand en blijft zoals het op zichzelf is. De mens echter bestaat uit vele bestanddelen en blijft niet zoals hij is, maar verandert en gaat van de ene levensfase in de andere en van het ene uiterlijk in het andere over, en dat zolang hij nog in zijn omhulsel verblijft. Velen hebben zelfs hun kinderen na verloop van korte tijd niet meer herkend, en omgekeerd zo ook kinderen hun ouders.

12. Wat zo verandert dat het niet herkend wordt, kan dat waar zijn, Tat? Is het niet in tegendeel een illusie, daar het zich in zo'n bonte rij van veranderende verschijningsvormen manifesteert? Je moet je realiseren dat alleen wat eeuwige duur heeft echt bestaat. Maar de mens is niet eeuwig, en derhalve is hij niet iets dat werkelijk bestaat. De mens is een drogbeeld en een drogbeeld is wel de illusie ten top.'

13. 'Zijn dan deze eeuwige lichamen ook niet werkelijk, vader, omdat ook zij aan verandering onderhevig zijn? 'Alles wat ontstaat en veranderlijk is bestaat niet echt, maar het kan zijn dat zij zuivere materie bevatten, omdat ze door de Oervader zijn voortgebracht. Zij hebben echter door hun voortdurende verandering toch ook iets illusoirs, want wat niet zichzelf blijft is niet in ware zin werkelijk'

14. 'Maar waarvan kun je dan wel zeggen dat het werkelijk bestaat, vader?' 'Dat kun je alleen zeggen van de zon, die in tegenstelling tot alle andere hemellichamen niet verandert, maar altijd zichzelf blijft. Daarom is hem alleen de schepping toevertrouwd van alles wat er in de kosmos is; hij is de bestuurder en maker van het Al. Hem vereer ik dan ook en ik aanbid de waarachtigheid van zijn wezen. Na de Ene en Eerste erken ik hem als schepper.'

15. Maar wat kun je dan de eerste werkelijkheid noemen vader? 'De Ene en Enige, Tat, die niet uit materie bestaat, die geen lichaam heeft, geen kleur en geen vorm, die onbewogen, onveranderlijk en eeuwig is.

16. Maar de illusie, mijn jongen, gaat ten onder; de voorzienigheid van de ware werkelijkheid heeft alles op aarde aan de ondergang onderworpen en houdt het daarin besloten en zal het daarin ook besloten houden. Want zonder vergaan kan er geen ontstaan plaats vinden: op ieder ontstaan volgt een vergaan, opdat er weer iets nieuws kan ontstaan. Want wat ontstaat moet noodzakelijkerwijs ontstaan uit wat vergaat en wat ontstaat moet noodzakelijkerwijs vergaan, anders zou het ontstaan der dingen tot stilstand komen. Erken dit als het eerste scheppingsprincipe voor het ontstaan der dingen. Derhalve moet wat uit vergankelijkheid ontstaat wel illusie zijn, daar nu eens een en dan het ander ontstaat. Het is immers onmogelijk dat dezelfde dingen ontstaan. Hoe zou iets dat niet hetzelfde kan worden de ware werkelijkheid kunnen zijn?

17. Je moet al die dingen dus illusies noemen, als je ze op de juiste manier wilt aanduiden: de mens een illusie van de ware mens, het kind een illusie van het ware kind, de jongeling een illusie van de ware jongeling, de man een illusie van de ware man, de grijsaard een illusie van de ware grijsaard. Want de mens is niet echt een mens, noch het kind een kind, noch de jongeling een jongeling, noch de man een man, noch de grijsaard een grijsaard.

18. Zowel wat er vroeger was als wat er nu is, het zijn allemaal illusies, omdat ze aan verandering onderhevig zijn. Toch moet je het zo zien, mijn jongen, dat ook illusoire krachten van boven, van de ware werkelijkheid afhangen. Omdat dit zo is, beweer ik dat de illusie door de ware werkelijkheid veroorzaakt wordt.'

1. 'Het is, jongen, uit liefde voor de mensen en eerbied voor God dat ik dit geschrift als eerste vervaardig. Want er is geen betere vorm van vroomheid denkbaar dan het bestaande te overdenken en de schepper daarvoor te danken,- ik zal niet ophouden dat voortdurend te doen.'

2. Als hier op aarde niets werkelijk is, wat moet je dan doen, vader, om op een goede manier je leven te leiden? 'Wees vroom, jongen! Wie echt vroom is, beoefend de filosofie, want zonder filosofie kan men onmogelijk echt vroom zijn. Wie weet hoe het met alles staat en hoe het zo geordend is, en door wie en met welk doel, brengt voor dat alles dank aan de Schepper, omdat deze een goede Vader is, die goedgunstig voedt en trouw behoedt. En wie dank zegt, is vroom!

3. Maar wie vroom is, weet ook waar de ware werkelijkheid is en wat zij is, en dank zij die kennis wordt hij des te vromer. Want nooit, mijn zoon, kan de ziel, zelfs als zij nog in het lichaam is maar zich licht heeft gemaakt om tot kennis te komen van Hem die goed en waarachtig is, afglijden naar het tegendeel.

4. Dit, jongen, dit moet het doel van de vroomheid zijn. Als je dat bereikt hebt, zult je goed leven en gelukkig dood zijn, daar je ziel niet onwetend is waar zij in haar vlucht omhoog naar toe moet gaan.

5. Want dit, mijn jongen, is de enige weg naar de ware werkelijkheid, die ook onze voorouders gegaan zijn en waarlangs zij het Goede bereikt hebben. De weg is verheven en effen, maar moeilijk te begaan voor de ziel die nog in het lichaam is.

6. Want eerst moet zij tegen zichzelf strijd voeren en een grote scheiding aanbrengen en zich door haar ene deel laten overwinnen. Want het komt tot een strijd van een tegen twee, waarbij het ene deel poogt te ontsnappen en de andere twee proberen het naar beneden te trekken. Er ontstaat tussen hen veel twist en onderlinge strijd, waarbij het ene wil vluchten en de andere zich inspannen het vast te houden.

7. En de overwinning pakt voor elk van hen geheel anders uit, want het ene haast zich naar het goede, de andere twee vestigen zich in het kwade. Het ene verlangt bevrijd te worden, de andere hebben de slavernij lief. Als de twee delen overwonnen worden, dan blijven ze in zichzelf besloten, verstoken als ze zijn van de leiding van het andere deel. Maar als dat het onderspit delft, wordt het door de twee andere gevankelijk weggevoerd en vindt het zijn straf in het leven hier beneden.

8. Dit alles, jongen, is je gids op de weg naar boven: je moet eerst, jongen, voor je levenseinde het lichaam achter je laten en in dit leven van strijd de overwinning behalen; pas dan kun je omhoog gaan.

Het menselijke verlangen naar liefde, naar verliefd worden, naar een mystieke ervaring hangt volgens mij samen met de wens werkelijk gezien te worden en werkelijk te zien. Door de onvolmaaktheden en tijdelijkheden heen de werkelijke essentie aanschouwen. De romantische kunstenaar streeft naar het uitdrukken van de werkelijke essentie, hetgeen dat eeuwigheidswaarde heeft. De mysticus heeft de ervaring de ware werkelijkheid te hebben aanschouwt. De geliefden zien het goddelijke in elkaar, het onveranderlijke, het waarachtig werkelijke, de liefde zelf.